|
Ook de noordoostelijke hoek van het koorgestoelte is gemarkeerd door een rijk versierd hoog wangstuk, terwijl de bijbehorende lage bank eveneens van decoratief en figuratief snijwerk is voorzien. Het hoge wangstuk bevindt zich in principe nog op zijn oorspronkelijke plaats, zoals blijkt uit de tekening die Pieter Saenredam op 1 juli 1632 maakte (afb. p. 12) en diens veel latere schilderij. Dit betekent dat dit hoge wangstuk wat de decoratie aan de buitenzijde betreft, altijd al lastig te bekijken was, dit in tegenstelling tot de beide bewaard gebleven westelijke bankwangen die vroeger toen ze de doksaaldoorgang flankeerden, moeiteloos in hun totaal te observeren waren. Ongetwijfeld ligt hier dan ook de reden waarom deze oostelijke bankwang aan de oostzijde geen uitgebreid figuratief decoratieprogramma heeft. De opengewerkte dubbele spiraalhand is versierd met fijne wingerdranken met blad. Aan de bankzijde bevinden zich tussen de bladeren ook druiventrossen en in zowel de bovenste als de onderste spiraal zijn daartussen drie geiten te ontwaren. Bovenop de opengewerkte dubbele spiraal rust een geprofileerde console die aan de voorzijde wordt ondersteund door een gevleugeld monstertje (afb. p. 61). Tegen de kopse kant van dit wangstuk zijn op dezelfde manier als bij de hoge westelijke wangen twee vrijstaande beeldjes geplaatst. In het midden van de dubbele spiraal bevindt zich op een zuiltje met een rijk bladkapiteel een vrouwelijke heilige. Haar aangezicht is vernieuwd door Van der Geld en de haarpartij met bloemenkrans werd bijgesneden; van de gerestaureerde handen met attributen is de linkerhand die een omhooggestoken zwaard vasthield, inmiddels weer verdwenen, de rechterhand met boek is nog aanwezig.13 Deze vrouwelijke heilige is in de loop der tijd verschillend geïdentificeerd. Jan Hezenmans noemde haar in 1866 Agnes; Xavier Smits zag haar in 1907 liever als Dymphna; Peeters 1985 waagt zich niet aan een uitspraak en stelt terecht dat ze 'niet te identificeren en ingrijpend aangevuld is'.14 Lager en iets meer naar voren staat op een zuiltje dat voor het gesloten benedendeel van de bankwang doorloopt, de martelares Barbara. Deze is geheel van de hand van Hendrik van der Geld. In haar linkerhand houdt de heilige een boek, haar rechterhand rust op een torenmodel dat naast haar staat en door welk attribuut ze zonder enige twijfel als Barbara te identificeren is. Jan Hezenmans beschreef ook ruim voor de restauratie van 1877-1881 op deze plaats een Barbara; wellicht gaat het neogotische beeldje dan ook tenminste wat iconografie betreft, terug op een gotische voorganger. Bovenin het opengewerkte deel van de bankwang zit op de geprofileerde console een naar het midden van het koor en dus naar het hoofdaltaar gerichte vrouwefiguur. Op haar hoofd draagt ze een keizerskroon en uit haar voor de borst samengevouwen handen blijkt dat ze in gebed is. Al door Jan Hezenmans werd zij benoemd als de heilige Helena, een identificatie waaraan tot nu toe niet is getornd. Deze duiding, en gezien de keizerskroon en de geprononceerde plaats van de heilige is er geen enkele reden tot twijfel, impliceert dat bovenin het al in de tweede helft van de zestiende eeuw verwijderde zuidoostelijke wangstuk als pendant haar zoon keizer Constantijn de Grote zal hebben gezeten. Onder het opengewerkte deel van deze hoge bankwang bevindt zich de hechtenis van Maria met Kind en tegen de corresponderende lage bankwang zien we de heilige Catharina. Beide reliëffiguren zijn neogotisch, maar de iconografie er van gaat | 60 |
|
vermoedelijk wel op de vervangen gotische reliëfs terug. Boven Catharina bevindt zich een sterk gerestaureerd dekstuk met als voorstelling het sacrament van de biecht. | 61 |
| Noten | |
| 13. | Beide door Van der Geld gerestaureerde handen zijn nog zichtbaar op in 1946 gepubliceerde foto's. Coppens & Van Goirle 1946, p. 53 (afb.) en p. 156 pl. 38. |
| 14. | Hezenmans 1866, p. 71; Smits 1907, p. 209; zie ook Mosmans 1931, p. 379; Coppens & Van Goirle 1946, p. 54; Peeters 1985, p. 353. |
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 60-61
|
Beneden aan het loofwerk staat Sinte-Barbera (3), Sinte-Dympna (4) daarboven, en ten top zetelt Sint-Helena. Op de plint, die den loovertak draagt, staat de beeltenis der Lieve Vrouw (A). | 209 |
| Noten | |
| 3. | Een nieuw beeldje. |
| 4. | Niet Sint Agnes, die steeds met een lam wordt afgebeeld. H. Detzel, Christliche Ikonographie. Het zwaard der H. Dympna is nieuw. |
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 209
Concordius van Goirle & Martien Coppens, De koorbanken van St. Jan (1946) 52-58, 156-159
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 60-66
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 377, 379
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 209, plaat XVIII
Frans van Valderen, De kathedrale basiliek van St. Jan te 's Hertogenbosch (1949) 44